Bijproducten voedingsindustrie
Het menu dat landbouwhuisdieren krijgen, bestaat deels uit droge en natte (‘vochtrijke’) bijproducten uit de voedings- en genotmiddelenindustrie. Ze zijn afkomstig van de graan- en de aardappelverwerkende industrie, de suikerindustrie, de zuivelindustrie, de margarine/olie-industrie, de fabrikanten van citrussappen en de gist/alcoholindustrie. De bijproducten zijn niet geschikt voor menselijke consumptie, maar zitten nog vol waardevolle voedingstoffen.
Diermeel
Ook de vleesverwerkende industrie is een leverancier van diervoedergrondstof, van dierlijke vetten bijvoorbeeld die een bron van energie zijn. Ook diermeel is een waardevolle grondstof. Diermeel is rijk aan eiwitten die nodig zijn voor de groei. Voor vleeseters als het varken en de kip is dierlijk eiwit een belangrijk bestanddeel van het menu.
BSE
Het gebruik van diermeel in diervoeder is in 2000 door de EU verboden om zo de mogelijke verspreiding van gekke koeienziekte (BSE) tegen te gaan. De ziekte tast de hersenen en het centrale zenuwstelsel van de koe aan. Uiteindelijk sterft ze erdoor. BSE staat ook wel bekend als de ziekte van Creutzfeld-Jakob (humane variant) . Het diermeel wordt nu nog steeds verbrand in verbrandingsovens.
Petfood
Ook in het voer van sommige soorten huisdieren zitten (bij)producten uit de voedingsindustrie. In sommige soorten vissenvoer bijvoorbeeld zitten bijproducten uit de visverwerkende industrie. Katten- en hondenvoer bevat behalve vis, ook vlees. Een kat heeft twee keer zoveel eiwit nodig als een hond. Als een kat het verkeerde voer krijgt, kun je dat aan haar vacht zien. Die wordt dan dof. Ook bij knaagdieren luistert de samenstelling van het voer nauw. Een cavia moet voer hebben met veel vitamine C, want dat kan hij zelf niet aanmaken.
